Vertel & Deel

Toen we een jaar of twee geleden met Evolva en werkplekleren begonnen, startten we met een vrij beperkte, algemene definiëring: werkplekleren vindt plaats in reële arbeidssituaties als leeromgeving en de leerobjecten zijn de dagdagelijkse verbeterpotenties uit de praktijk. De opdracht die Hans kreeg van de stuurgroep: is dit een proven concept? Oftewel: is werkplekleren een model, een gedachtengoed dat daadwerkelijk bruikbaarheidswaarde heeft en dat zich in de praktijk gaat bewijzen? De hele korte samenvatting is: “Ja.” De iets uitgebreidere – met acht aanbevelingen - vind je hieronder.

 

Aanbevelingen
Hans ging praten met en vooral luisteren naar zo’n twintig mensen die de afgelopen tijd redelijk intensief zijn bezig geweest met werkplekleren: mensen uit projectgroepen, managers, bestuurders, deelnemers....
Dit is hem opgevallen:

  1. “De behoorlijk hoge ambitie en motivatie. Mensen zijn er enthousiast over en er is een wil om te leren.”
  2. “Er is sprake van een organische benadering: we beginnen, gaan stappen zetten en kijken of en hoe het zich ontwikkelt.”
  3. “Belangrijke voorwaarde voor het slagen van het project is dat het door de hele organisatie wordt gedragen. Educatief leiderschap is essentieel: managers moeten goed luisteren, faciliteren en stimuleren.”
  4. De teams bepalen zelf in de inhoud van het werkplekleren. Je leert immers het meeste, het beste, in een situatie waar je wil leren. Werken aan iets dat al goed gaat maar dat je beter wil doen, geeft meer positieve energie - en dus resultaat - dan samen ene probleem oplossen”
  5. “We hebben een stukje theorie in dit project: 10-20-70 leren. Mensen leren ongeveer tien procent in klassikale omgevingen (eenrichtingsverkeer van docent naar ontvanger), 20% van het leren vindt plaats als de leerinhoud wordt gedeeld met anderen maar 70% van het leren vindt gewoon plaats in reële arbeidssituaties. In feite daar waar de grens tussen werken en leren vervaagt. Heel goed voor ogen houden dat werksituaties in potentie leersituaties zijn, dan ontstaat er een heel andere dynamiek.”
  6. “Een veilige omgeving en goede feedbackcultuur zijn onmisbaar voor de deelnemers. En dus ook onmisbaar voor succesvol werkplekleren”
  7. “Zorg voor een goede digitale leeromgeving: het lijkt voor de hand te liggen, maar goede wifi, goede stuurprogramma’s in de computer, klantvriendelijke digitale leeromgeving enzovoort, dat moet gewoon goed zijn.”
  8. “Blijf heel nadrukkelijk aandacht besteden aan de vraag: wat heeft de cliënt er aan?”

De impact van werkplekleren op je organisatie
Hans: “Als je kiest voor werkplekleren heeft dat consequenties voor je organisatie. Het management krijgt veel meer de rol van faciliteren, en veel minder rol van beheersen en controleren. De ‘volgzame organisatie’ kantelt naar een organisatie waar eigen regie en zelfsturing een grotere plek krijgen. Dat vereist ook van bestuurders dat ze heel goed nadenken over de implicaties van werkplekleren, want werkplekleren heeft een behoorlijke impact op de hele organisatie. Als je van mensen vraagt om veel actiever zelf te komen met oplossingen, zelf alternatieven te bedenken om zelf aan te geven wat ze willen leren enzovoort dan houdt dat niet op bij het leren. Dat gaat straks veel verder. Daar moet je als organisatie op bedacht zijn en op acteren. Het kan ook een heel bewuste keuze zijn van organisaties om werkplekleren in te zetten als instrument om de organisatie een aantal stappen verder te brengen. Ook binnen het project hebben we gesproken over de wisselwerking tussen enerzijds de leerdoelen van je bestuur, medewerkers en teams en anderzijds om de doelen van je organisatie. Dan is de vraag waar die twee elkaar raken. Daar moet iets gemeenschappelijks zitten. Dat zit ‘m heel vaak in de vraag en het antwoord daarop: wat levert dat nou voor de cliënt op? Het verhogen van een feedbackcultuur, bijvoorbeeld, is belangrijk, maar het is natuurlijk nooit een uiteindelijk doel van werkplekleren. Dat uiteindelijke doel is dat je als organisatie beter in kunt spelen op vragen en behoeftes van je klanten/cliënten. Want daar zit uiteindelijk ook je bestaansrecht.”

Volgende stappen?
Hans: “Dit verslag en de aanbevelingen bespreken we in zowel de projectgroep als de stuurgroep. Zoals ik begin zei, we werken niet vanuit een blauwdruk, maar vanuit een ontwikkelgedachte, een organisch idee. We gaan gewoon aan de slag, we kijken wat de ervaringen zijn, wat het oplevert, we leren daarvan en passen het model aan. Zo maken we stappen.”

Log in